ECLI:NL:RBBRE:2006:BI4104
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd ondanks herstelbeleid en vertrouwensbeginsel
Belanghebbende maakte op 8 november 2002 en 18 januari 2005 gebruik van de openbare weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto. De inspecteur legde op 11 mei 2005 een naheffingsaanslag BPM op met als aanvang van het gebruik 8 november 2002, welke later werd vernietigd. Vervolgens stelde de inspecteur dat de aanvang van het gebruik op 18 januari 2005 moet worden gesteld en legde een nieuwe naheffingsaanslag op.
Belanghebbende voerde aan dat zij aanspraak mocht maken op het herstelbeleid en dat de Wet BPM in strijd was met artikel 23 van Pro het EG-verdrag. De rechtbank oordeelde dat vanwege eerdere vrijstellingsvergunningen het herstelbeleid niet van toepassing was en dat op 18 januari 2005 een belastbaar feit was geconstateerd. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd.
Voorts stelde belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, maar zij kon niet aannemelijk maken dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het niet opleggen van een nieuwe naheffingsaanslag. De rechtbank volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal dat de Wet BPM een stelselmatige heffing is en niet in strijd met het EG-verdrag. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag BPM.