Uitspraak
RECHTBANK BREDA
1.Het procesverloop
2.De beoordeling
.
Rechtbank Breda
Eiser was sinds 1992 in dienst bij een werkgever en werd op 22 november 2005 op staande voet ontslagen na een klacht over ongewenste intimiteiten jegens een vrouwelijke collega. De kantonrechter ontbond later het dienstverband per 1 februari 2006. Eiser vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd wegens verwijtbaar werkloos worden. De rechtbank moest beoordelen of het gedrag van eiser zodanig verwijtbaar was dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden.
Op de nacht van 10 op 11 november 2005, na een personeelsfeest, ging eiser onder invloed van alcohol naar de hotelkamer van een slapende vrouwelijke collega en verrichtte seksuele handelingen zonder haar instemming. De rechtbank oordeelde dat dit gedrag verwijtbaar was jegens de werkgever, mede vanwege de gezagsverhouding en de impact op de werksfeer.
De rechtbank vond dat eiser had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou kunnen leiden en bevestigde de volledige blijvende weigering van de WW-uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na ongewenste intimiteiten.