ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8028
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingaanslag op basis van handel in hard- en softdrugs
Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor handel in harddrugs over een periode van drie maanden in 2002. Hij deed aangifte inkomstenbelasting gebaseerd op een administratie die alleen transacties in harddrugs omvatte waarvoor hij is veroordeeld. De rechtbank acht aannemelijk dat ook inkomsten uit handel in softdrugs zijn genoten en dat handel ook vóór deze periode plaatsvond.
De inspecteur stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van ruim €1,2 miljoen, gebaseerd op een strafrechtelijk financieel onderzoek dat ook rekening hield met uitgavenpatronen en legale inkomsten. Belanghebbende voerde aan dat zijn aangifte correct was en dat de aanslag te hoog was.
De rechtbank oordeelde dat de administratie van belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor de juistheid van zijn aangifte. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende aanzienlijk meer inkomsten uit de handel in verdovende middelen had genoten dan aangegeven. De omkering van de bewijslast op grond van artikel 27e AWR werd toegepast.
De schatting van de inspecteur werd als redelijk en niet onredelijk beoordeeld, mede gegrond op verklaringen, notities en een boekhouding van een mede-verdachte. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde de aanslag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de belastingaanslag wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.