ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9155

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
9 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/3193
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening afvalstoffenheffingArt. 8:10 AwbArt. 8:45 AwbArt. 8:68 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid van gedifferentieerde aanslag afvalstoffenheffing bij gezamenlijke vuilcontainer

Belanghebbende, bewoner van een flatwoning, maakt gebruik van een gezamenlijke afsluitbare vuilcontainer die gedeeld wordt met andere bewoners van het flatgebouw. De gemeente legde hem een aanslag afvalstoffenheffing op, bestaande uit een vastrechtdeel en een gedifferentieerd deel. Het gedifferentieerde deel is gebaseerd op een evenredig aandeel van het totale gewicht van het huisvuil dat door de groep bewoners wordt aangeboden, niet op het individuele gewicht.

Belanghebbende betwist de toelaatbaarheid van deze wijze van heffing omdat hij meent dat hij onterecht meebetaalt voor het afval van anderen, waaronder gezinnen en zwaar afval. De rechtbank stelt vast dat de verordening een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond biedt voor deze verdeling, namelijk de eenvoud en uitvoerbaarheid van de heffing. Het meten van het individuele afvalgewicht is in deze situatie niet praktisch mogelijk.

De rechtbank neemt verder aan dat alleen afval van de groep bewoners in de afgesloten container wordt gedeponeerd en dat afval buiten de container niet wordt meegerekend. De kostenverdeling tussen vastrecht en variabel deel is conform de gemaakte kosten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag afvalstoffenheffing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/3193
Uitspraakdatum: 9 februari 2007
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats], verweerder.
Eiser wordt hierna ook aangeduid als belanghebbende.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De verweerder heeft aan belanghebbende voor het eerste halfjaar van 2005 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd.
1.2. De verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2005 de aanslag
gehandhaafd.
1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 23 augustus 2005, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belang-hebbende een griffierecht geheven van € 37.
1.4. De verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een
verweerschrift ingediend.
1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2006 te Breda. Aldaar zijn
verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de verweerder.
1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
1.7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:68 van Pro de Awb het onderzoek heropend
en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen schriftelijk gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.
1.8. De enkelvoudige belastingkamer heeft vervolgens op grond van het bepaalde in artikel
8:10, tweede lid, van de Awb de zaak verwezen naar de meervoudige belastingkamer. Met schrifte-lijke toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2. Feiten
2.1. Belanghebbende, alleenstaande, is vanaf 11 mei 2005 bewoner van de flatwoning [adres], te [woonplaats] en maakt gebruik van een (afsluitbare) gemeen-schappe-lijke huisvuilcontainer. Deze wordt gevuld door de bewoners van de flatwoningen [adres] te [woonplaats].
2.2. De bij raadsbesluit van 22 april 2004 vastgestelde “Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2004” en de daarbij behorende tarieventabel zijn bij raadsbesluit van 25 november 2005 gewijzigd (hierna: de verordening).
2.3. De (gewijzigde) verordening luidt met betrekking tot de in artikel 3 genoemde Pro maatstaf van heffing voorzover van belang als volgt:
“2.a. Het gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen van een perceel dan wel groep van percelen wordt aan-gemerkt als een van de twee maatstaven van de heffing van de in hoofdstuk 2 van de tarieventabel genoemde belasting.
2.b. Het aantal aanbiedingen ter lediging van een container van de periodiek ingezamelde afvalstoffen van een perceel wordt aangemerkt als de andere maatstaf van de in hoofdstuk 2 van de tarieventabel genoemde belasting.
3.a.1. –
3.a.2. –
3.a.3. Het gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen per inzamelbeurt per perceel dat behoort tot een groep van percelen wordt vastgesteld als een naar het aantal geregistreerde percelen van de betrokken groep van percelen evenredig gedeelte van het totale gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen per inzamelbeurt van de betrokken groep van percelen”.
2.4. Met dagtekening 31 juli 2005 is aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar een bedrag van € 26,14. Dit bedrag bestaat enerzijds uit het tijdseven-redige vastrecht (voor een eenpersoonshuishouden) ad € 8,90 en anderzijds voor € 17,24 uit het gedifferentieerd tarief. Het gedifferentieerde deel van de aanslag is in casu gebaseerd op het bepaalde in artikel 3, onderdeel 3.a.3., van de verordening.
2.5. De door verweerder in verband met het ophalen en afvoeren van huisval in 2005 in de gemeente [woonplaats] gemaakte kosten bedragen € 2.994.881 en bestaan voor 66% uit vaste kosten en voor 34% uit variabele kosten. Op jaarbasis (2005) heeft verweerder belanghebbende de vaste en variabele kosten in rekening gebracht door middel van respectievelijk het vastrechtdeel (65%) en het gedifferentieerde deel (35%) van de aanslag afvalstoffenheffing.
3. Geschil
3.1. In geschil is of het heffen van het gedifferentieerde deel van de aanslag afvalstoffenheffing toelaatbaar is.
3.2 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag, naar de rechtbank begrijpt, tot een berekend naar een bedrag van € 8,90.
3.3 De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn
aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Belanghebbende stelt dat toepassing van het gedifferentieerde tarief ontoelaatbaar is omdat hij daardoor ten onrechte meebetaalt aan het ophalen en verwerken van huisvuil van anderen. Hij verwijst in dat verband naar de andere bewoners van de flat die de gemeenschappelijke vuilcontainer vullen en waarvan sommigen partners met kinderen hebben, alsmede naar het door anderen, deponeren van zwaar afval, zoals kattenbak-vulling en bouwafval en het aantreffen van huisvuil buiten de vuilcontainers.
4.2. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder, hiervoor in 2.3. aangehaalde in artikel 3, onderdeel 3.a.3., van de verordening, gehanteerde verdeling van de maatstaf van heffing, niet ontoelaatbaar is. Voor de omstandigheid dat de hoogte van het gedifferentieerde deel van de afvalstoffenheffing voor iedere gebruiker van de in 2.1. bedoelde groep gebaseerd wordt op een evenredig deel van het totale gewicht van de aangeboden afvalstoffen door die groep van bewoners, bestaat naar het oordeel van de rechtbank een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond, namelijk de daardoor verkregen eenvoud en (gemakkelijker) uitvoerbaarheid van de heffing. Het bemeten van ieders aandeel in het totaal aangeboden gewicht is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden te bezwaarlijk aangezien de onderhavige wijze van afvalverwerking (de gezamenlijke afvalcontainer) daarin niet voorziet.
4.3. Onvoldoende weersproken staat vast dat verweerder conform de verhouding zoals vermeld in 2.5. de vaste en variabele kosten aan belanghebbende via de aanslag afvalstoffenheffing in rekening brengt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee ook vast komen te staan dat eenzelfde verhouding heeft te gelden voor de periode waarop de onderhavige aanslag betrekking heeft.
4.4. Aangezien slechts de variabele kosten ter grootte van 34% van de totale kosten die worden veroorzaakt door het ophalen en verwerken van huisvuil door verweerder als het gedifferentieerde deel van de totale heffing in de heffing van belanghebbende wordt betrokken kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de raad de rechtstreeks bij de tariefstelling betrokken belangen niet dan wel onvoldoende heeft afgewogen of dat de voor een of meer heffingsplichtigen nadelige gevolgen van deze tariefstelling onevenredig zijn in verhouding tot de met deze tariefstelling te dienen doelen.
4.5. De in 4.1. genoemde stellingen van belanghebbende inzake het deponeren van huisvuil in de gemeenschappelijke vuilcontainer door anderen dan die tot de in 2.1. bedoelde groep behoren, alsmede het aantreffen van huisvuil buiten de gemeenschappelijke vuilcontainer kunnen belanghebbende niet baten. Verweerder heeft namelijk onweersproken gesteld, en de rechtbank acht dit aannemelijk, dat de vuilcontainer slechts met een sleutel kan worden geopend zodat het er voor gehouden moet worden dat slechts het afval van de bewoners die tot de in 2.1. bedoelde groep behoren afval kunnen deponeren. Tevens heeft verweerder onweersproken gesteld, en ook dit acht de rechtbank aannemelijk, dat afval dat zich buiten de vuilcontainer bevindt niet wordt meegewogen en dus ook niet leidt tot een hogere aanslag afvalstoffenheffing.
4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 februari 2007 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.A.M.T. Klaassen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.