ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0315
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek dubbele belasting voor directeur met werkzaamheden in Duitsland
Belanghebbende, directeur van een Nederlandse NV, verrichtte in 2001 werkzaamheden in Duitsland voor een Duitse dochtermaatschappij, zonder een arbeidscontract met deze dochter. Hij werkte minder dan 183 dagen in Duitsland en ontving zijn salaris van de Nederlandse moedermaatschappij, waarover loonbelasting werd ingehouden.
De kern van het geschil betrof de vraag of het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland de heffingsbevoegdheid over een deel van het salaris aan Duitsland toewijst, waardoor Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zou moeten verlenen. De rechtbank stelde vast dat er geen specifiek directeurenartikel in het verdrag is en dat artikel 10 van Pro het belastingverdrag van toepassing is.
Op basis van de arbeidsovereenkomst en jurisprudentie van de Hoge Raad concludeerde de rechtbank dat belanghebbende in een materiële gezagsverhouding staat tot de Nederlandse moedermaatschappij. Hierdoor is er in Duitsland geen werkgever in de zin van het belastingverdrag, en blijft de heffingsbevoegdheid bij Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat de inspecteur ten onrechte het belastbaar inkomen verhoogde met het betreffende salarisdeel, maar oordeelde dat de inspecteur terecht geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleende. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt het belastbaar inkomen vast zonder het ten onrechte verhoogde salarisdeel, zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.