ECLI:NL:RBBRE:2007:BB1139
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.A. den Hartog
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- W. Brouwer
- Rechtspraak.nl
Geen fictieve vaste inrichting voor advieswerkzaamheden door Belgische BVBA in Nederland
Belanghebbende, een in België gevestigde BVBA met één zaakvoerder, verrichtte tussen augustus 2003 en maart 2005 advieswerk in Nederland. De beloning voor deze werkzaamheden werd aan de BVBA uitbetaald, die ook de contracten sloot met Nederlandse opdrachtgevers. De inspecteur legde naheffingsaanslagen loonbelasting op, stellende dat sprake was van een fictieve vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB.
De rechtbank stelde vast dat al het beroepsmatig handelen van de zaakvoerder namens en voor rekening van de BVBA geschiedde en dat de BVBA geen personeel in Nederland had. De werkzaamheden werden niet aangemerkt als het 'uitzenden' van personeel, maar als het zelf uitvoeren van advieswerk. Volgens de rechtbank valt dit niet onder de wetsbepaling die een fictieve vaste inrichting creëert voor tussenkomst bij uitzendwerkzaamheden.
De rechtbank verwierp de naheffingsaanslag over 2004 en de boete, maar verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag 2003 ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het oordeel was gebaseerd op de tekst, doel en strekking van de wetsbepaling en eerdere jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2007.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag 2004 en boete wegens ontbreken van een fictieve vaste inrichting, maar verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag 2003 ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid.