ECLI:NL:RBBRE:2008:BD0854
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voorlopige aanslag inkomstenbelasting ongegrond verklaard
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000, opgelegd door de inspecteur op basis van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek. De voorlopige aanslag was gesteld op een belastbaar inkomen van ƒ 247.727, terwijl belanghebbende aangifte had gedaan van een negatief belastbaar inkomen.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar en beroep tegen de voorlopige aanslag ontvankelijk zijn, ook al is er een definitieve aanslag naar nihil opgelegd en deze niet is verrekend met de voorlopige aanslag. De inspecteur heeft de bewijslast voor de juistheid van de voorlopige aanslag gedragen en heeft deze naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd met strafrechtelijke processen-verbaal waaruit blijkt dat belanghebbende betrokken was bij verkoop van gestolen auto’s en het opmaken van valse facturen.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden, maar de rechtbank stelt vast dat belanghebbende voldoende gelegenheid is geboden om gehoord te worden. Ook de stelling dat de voorlopige aanslag te hoog is vastgesteld, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard.