ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1022
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen naheffingsaanslag omzetbelasting met omkering bewijslast
Belanghebbende, ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, was geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 1999. De inspecteur legde de aanslag op na een strafrechtelijk onderzoek waaruit bleek dat onder andere gestolen auto's waren verkocht en dat valse facturen en inkoopverklaringen waren gebruikt. Hierdoor was een aanzienlijk deel van de omzet niet aangegeven.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 27e, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bewijslast was omgekeerd en dat belanghebbende niet had aangetoond dat de aanslag te hoog was. De enkele verklaring dat een bedrag afkomstig was van zijn vader was onvoldoende om de aanslag te betwisten.
Verder werd geoordeeld dat de inspecteur een redelijke benadering had toegepast bij het vaststellen van de naheffingsaanslag en dat ook rekening houdend met een vordering omzetbelasting uit de jaarrekening de aanslag niet te hoog was vastgesteld. De stelling dat de hoorplicht was geschonden werd verworpen omdat belanghebbende voldoende gelegenheid had gekregen om gehoord te worden en bekend was met de bevindingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 27 maart 2008 door de rechtbank Breda.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting is ongegrond verklaard.