ECLI:NL:RBBRE:2008:BG1807
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag en boete wegens onvoldoende bewijs omzetcorrectie
Belanghebbende, een BV, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en een vergrijpboete over het jaar 1998. De inspecteur stelde dat de administratie van belanghebbende gebreken vertoonde, waaronder het onterecht hanteren van het kasstelsel en ontbrekende facturen, en dat daardoor de bewijslast omgekeerd moest worden. De rechtbank oordeelde dat hoewel de administratie tekortkomingen vertoonde, deze niet zwaar genoeg waren om de bewijslast te verschuiven.
De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat belanghebbende daadwerkelijk te weinig omzet had verantwoord. Diverse door de inspecteur aangevoerde indicaties, zoals een theoretische omzetberekening en urenplanningen, werden door de rechtbank onvoldoende geacht om de aanslag te rechtvaardigen. Ook werd geoordeeld dat de inspecteur niet had voldaan aan zijn verplichting om concrete gegevens en inlichtingen te vragen.
De rechtbank vernietigde daarom de navorderingsaanslag en de boetebeschikking, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs en het niet zomaar omkeren van de bewijslast bij gebreken in de administratie.
Uitkomst: De navorderingsaanslag en vergrijpboete worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van te weinig verantwoordde omzet.