ECLI:NL:RBBRE:2008:BG3683
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aflossingscapaciteit en beslagvrije voet bij terugvordering WAO-uitkering
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn verzoek tot kwijtschelding van de restantschuld werd afgewezen en zijn aflossingscapaciteit werd vastgesteld op €137,28 per maand. De rechtbank beoordeelde of verweerder terecht van verdere terugvordering kon afzien en of de beslagvrije voet correct was toegepast bij de berekening van de aflossingscapaciteit.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet kon aantonen dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, mede omdat de psychosociale problemen onvoldoende medisch waren onderbouwd. Wel was vastgesteld dat eiser gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan, waardoor verweerder discretionair kon besluiten af te zien van verdere terugvordering, maar dit verzoek werd afgewezen omdat minder dan de helft van de vordering was voldaan.
Ten aanzien van de aflossingscapaciteit stelde de rechtbank vast dat verweerder de beslagvrije voet onjuist had berekend door niet volledig rekening te houden met de premies voor de verplichte zorgverzekering en de premies van de echtgenote, terwijl eiser gehuwd was in gemeenschap van goederen. Ook was de woonlastenberekening onjuist omdat niet de volledige woonlasten werden meegenomen. De rechtbank vernietigde dit onderdeel van het besluit en gaf verweerder opdracht tot herberekening.
Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen omdat eerst de aflossingscapaciteit opnieuw vastgesteld moest worden. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van kwijtschelding wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen de vaststelling van de aflossingscapaciteit wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.