ECLI:NL:RBBRE:2008:BM5876
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van dubbele belastingheffing en toepassing belastingverdrag Nederland-België
Belanghebbende, woonachtig in België, betwistte de aanslag inkomstenbelasting 2004 waarbij geen vermindering werd verleend voor in België betaalde personenbelasting (opcentiemen). Hij stelde dat sprake was van dubbele heffing die strijdig is met het belastingverdrag Nederland-België, Europees recht en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de Belgische opcentiemen een belasting naar het inkomen zijn en dat er inderdaad sprake is van dubbele heffing. Echter, Nederland en België hebben zich bewust neergelegd bij bepaalde gevallen van dubbele heffing zoals blijkt uit het belastingverdrag. Het beroep op artikel 27 van Pro het verdrag en het Europees recht faalde omdat deze geen verplichting tot volledige voorkoming van dubbele belasting opleggen.
Ook de stelling dat de dubbele heffing een verboden belemmering vormt volgens het EG-recht werd verworpen. De rechtbank volgde het standpunt dat het verschil in belastingstelsels tussen lidstaten leidt tot extra last, maar dit is niet verboden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en internationale verdragen werd eveneens afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering van vermindering wegens in België betaalde personenbelasting wordt ongegrond verklaard.