ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0264
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Brouwer
- G.H.C. Blommers
- N. van Duijn
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag omzetbelasting terecht opgelegd aan belanghebbende voor BV in oprichting
Belanghebbende voerde bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak augustus tot december 1999, opgelegd voor activiteiten van een BV in oprichting (BV i.o.). De rechtbank stelde vast dat belanghebbende als bevoegd functionaris namens de BV i.o. handelde en dat de onderneming feitelijk voor zijn rekening en risico werd gedreven. Hierdoor was de naheffingsaanslag terecht aan hem opgelegd.
Belanghebbende stelde dat hij geen ondernemer was en dat de inspecteur hem onterecht als belastingplichtige had aangemerkt. Ook voerde hij aan dat hij op basis van rapporten gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat de naheffingsaanslag niet aan hem zou worden opgelegd. De rechtbank verwierp deze stellingen, stellende dat de rapporten niet gingen over de belastingplicht en dat geen feiten aannemelijk waren die een ander vertrouwen rechtvaardigden.
Daarnaast werd de toepassing van het nultarief wegens intracommunautaire leveringen door belanghebbende betwist. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat goederen daadwerkelijk naar België waren vervoerd, waardoor het nultarief terecht werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een integrale proceskostenvergoeding af, ondanks dat de inspecteur niet tijdig een afschrift verstrekte. De uitspraak bevestigt dat in oprichtingsfasen de belastingplicht kan rusten op de persoon die feitelijk de onderneming drijft en benadrukt het belang van bewijs omtrent intracommunautair vervoer voor toepassing van het nultarief.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht aan belanghebbende opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.