ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0324
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Brouwer
- G.H.C. Blommers
- N. van Duijn
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onjuiste toepassing en proceskostenvergoeding
Belanghebbende werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak september tot en met november 1999, opgelegd aan hem handelend namens een BV in oprichting (BV i.o.). De inspecteur weigerde de toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen en legde tevens een vergrijpboete op. Belanghebbende betwistte de tenaamstelling van de aanslag, de weigering van aftrek van voorbelasting en de hoogte van de boete.
De rechtbank oordeelde dat de BV i.o. in haar oprichtingsfase voor rekening en risico van belanghebbende werd gedreven, waardoor de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De geringe onvolkomenheid in de tenaamstelling, het ontbreken van de toevoeging 'i.o.', leidt niet tot vernietiging van de aanslag. De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat belanghebbende wist of had moeten weten dat hij deelnam aan BTW-fraude, zodat het recht op aftrek van voorbelasting werd bevestigd.
Verder stelde de rechtbank vast dat de inspecteur in strijd met de Wet openbaarheid van bestuur handelde door geen afschrift van stukken te verstrekken, wat bijzondere omstandigheden opleverde voor een integrale proceskostenvergoeding van de bezwaarfase. De vergrijpboete werd vernietigd omdat de grondslag voor de boete nihil was. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van bezwaarfase en beroepsfase en tot terugbetaling van het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag en vergrijpboete, bevestigt de juiste tenaamstelling aan belanghebbende, en kent een integrale proceskostenvergoeding toe.