ECLI:NL:RBBRE:2009:BK0024
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Waardering kantoorruimten bij beëindiging terbeschikkingstelling in gemengd woon-kantoorpand
Belanghebbende kocht in 2001 een pand met een woon- en kantoorfunctie en verhuurde het kantoorgedeelte aan een BV waarin haar partner een aanmerkelijk belang had. De verhuur werd als terbeschikkingstelling aangemerkt, wat fiscale gevolgen had. Bij beëindiging van de terbeschikkingstelling ontstond discussie over de waardering van het ter beschikking gestelde kantoorgedeelte.
De rechtbank stelde vast dat het pand niet in afzonderlijke delen kon worden verkocht of verhuurd, waardoor partijen bij aanvang waren overeengekomen de waarde van het kantoorgedeelte af te leiden van de totale waarde van het pand. De rechtbank achtte partijen gebonden aan deze afspraak, maar vond dat bij beëindiging ook rekening moest worden gehouden met de waarde in bewoonde staat, conform jurisprudentie en het analoge besluit van de Staatssecretaris van Financiën.
Hierdoor werd de waarde van het kantoorgedeelte bij beëindiging lager vastgesteld dan door de inspecteur, wat leidde tot een vermindering van de aanslag inkomstenbelasting. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een juiste waardering bij terbeschikkingstelling in gemengde panden.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting werd verminderd door toepassing van waardedruk bij beëindiging van de terbeschikkingstelling kantoorruimten.