ECLI:NL:HR:1999:AA2665
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep Staatssecretaris inzake inkomstenbelasting 1991
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 165.884,--. Na bezwaar werd deze verminderd tot een aanslag op een belastbaar inkomen van ƒ 142.383,--, waarvan ƒ 89.756,-- belast werd volgens artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof ’s-Hertogenbosch, dat de aanslag verder verminderde tot een belastbaar inkomen van ƒ 49.883,--.
De Staatssecretaris van Financiën stelde tegen deze uitspraak beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van ƒ 340,-- aan de Staatssecretaris opgelegd. Het arrest werd op 17 februari 1999 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.