ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2293
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaalde Waz-uitkering na overlijden uitkeringsgerechtigde
De zaak betreft de terugvordering van een Waz-uitkering die onverschuldigd is doorbetaald na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde op 4 juli 2002. De uitkering is door het UWV tot 1 maart 2004 doorbetaald, waarna het UWV de terugvordering van € 24.698,87 aan de erfgenaam, de zoon van de overledene, heeft ingesteld.
De erfgenaam betwistte de terugvordering, stellende dat hij niet op de hoogte was van de doorbetaling en geen beschikking had over de gelden. Ook stelde hij dat de hoorplicht niet was nageleefd en dat terugvordering tot onaanvaardbare financiële consequenties zou leiden. De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden, dat de erfgenaam als enig erfgenaam en aanvaarder van de nalatenschap aansprakelijk is voor terugbetaling, en dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien.
De rechtbank bevestigt dat het recht op uitkering eindigt de dag na het overlijden van de betrokkene en dat de doorbetaling onverschuldigd was. De verjaringstermijn is niet verstreken omdat het UWV pas in februari 2004 op de hoogte was van het overlijden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde Waz-uitkering wordt bevestigd.