ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2976
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hoofdelijk aansprakelijkstelling voor belastingschulden vof wegens gebrek aan kennelijk onbehoorlijk bestuur
Belanghebbende, een BV en vereffenaar van een vof, werd door de ontvanger hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet betaalde belasting- en premieschulden van de vof op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990. De ontvanger handhaafde deze aansprakelijkstelling in een uitspraak op bezwaar, waarin echter abusievelijk een andere persoon als aansprakelijke werd genoemd. Belanghebbende stelde dat hierdoor geen rechtsgeldige uitspraak op bezwaar was gedaan en dat zij ten onrechte aansprakelijk werd gehouden.
De rechtbank oordeelde dat ondanks de onzorgvuldigheid in de uitspraak op bezwaar, deze wel rechtsgeldig en kenbaar was omdat datum, nummer en verwijzing naar het hoorgesprek correct waren vermeld. De ontvanger kon echter niet aannemelijk maken dat het niet betalen van de belastingschulden te wijten was aan kennelijk onbehoorlijk bestuur door belanghebbende als vereffenaar. De rechtbank verwierp ook het standpunt van de ontvanger dat belanghebbende in de beroepsfase alsnog als bestuurder aansprakelijk kon worden gesteld, omdat dit haar procesbelangen zou schaden.
De aansprakelijkstelling werd daarom vernietigd, evenals de beschikking. De ontvanger werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De rechtbank benadrukte dat een nieuwe aansprakelijkstelling als bestuurder slechts via een nieuwe beschikking kan worden opgelegd, omdat deze wezenlijk verschilt van de aansprakelijkheid als vereffenaar.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de hoofdelijk aansprakelijkstelling van belanghebbende wegens onvoldoende bewijs van kennelijk onbehoorlijk bestuur.