ECLI:NL:RBBRE:2010:BL8552
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tussentijdse opzegging huurovereenkomst woonruimte met stilzwijgende verlenging
Eisers, eigenaren van een woning, verhuurden deze aan gedaagde voor bepaalde tijd met stilzwijgende verlenging voor telkens een jaar tot uiterlijk 31 juli 2010. Gedaagde zegde de huurovereenkomst tussentijds op per 31 maart 2010 met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Eisers vorderden onder meer dat gedaagde het gehuurde tot 31 juli 2010 zou blijven gebruiken en de huur zou doorbetalen.
De kantonrechter stelde vast dat de huurovereenkomst na de eerste huurperiode van 10 september 2007 tot 31 juli 2008 op grond van artikel 7:242 lid 2 juncto Pro 7:230 BW geacht moet worden voortgezet voor onbepaalde tijd. Hierdoor kon gedaagde de overeenkomst tussentijds opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. De in de overeenkomst opgenomen diplomatenclausule deed hieraan niet af.
De kantonrechter verwierp de stelling van eisers dat de huurovereenkomst stilzwijgend voor bepaalde tijd zou worden verlengd, waarbij tussentijdse opzegging zou zijn uitgesloten. De parlementaire geschiedenis maakte duidelijk dat de wetgever contractuele verlenging voor bepaalde tijd niet toestaat en de huurder beschermt tegen het uitsluiten van tussentijdse opzegging.
De vorderingen van eisers om gedaagde tot gebruik van het gehuurde tot 31 juli 2010 en betaling van huur over die periode te veroordelen werden afgewezen. Gedaagde is wel gehouden de huur over januari tot en met maart 2010 te voldoen, een bedrag van € 3.228,75, vermeerderd met wettelijke rente. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt geacht voortgezet voor onbepaalde tijd, gedaagde mocht tussentijds opzeggen en is veroordeeld tot betaling van huur over januari tot maart 2010; overige vorderingen zijn afgewezen.