ECLI:NL:RBBRE:2010:BL8605
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing inkomsten uit patenten na wetenschappelijk onderzoek in het buitenland
Belanghebbende heeft in de jaren negentig postdoctoraal wetenschappelijk onderzoek verricht in het Verenigd Koninkrijk, waarvoor hij een studiebeurs ontving en niet in Nederland woonde. Het onderzoek leidde tot patenten die door de onderzoeksinstelling werden geëxploiteerd, waarbij belanghebbende vanaf de jaren 2000 royalty’s ontving.
De kern van het geschil betrof de vraag of deze royalty’s in Nederland belastbaar zijn als inkomen uit werk en woning of als vermogensrecht in box 3. Belanghebbende stelde dat het om een vermogensrecht ging en dat de inkomsten niet als inkomen uit werk en woning konden worden belast.
De rechtbank overwoog dat belanghebbende met zijn onderzoeksactiviteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer en dat de inkomsten uit de patenten een vrucht zijn van zijn werkzaamheden. Het feit dat hij de patenten niet zelf exploiteerde, doet hieraan niet af. Op grond hiervan kwalificeerden de ontvangen royalty’s als inkomen uit werk en woning volgens artikel 22 Wet Pro IB 1964.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting bevestigd.