ECLI:NL:RBBRE:2010:BO3570
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Woning blijft eigen woning ondanks tijdelijk gebruik door dochter in uitzendsituatie
Belanghebbende, woonachtig in het buitenland, was eigenaar van een woning in Nederland die hij sinds 1993 bewoonde. Na verhuizing naar Nigeria en later Groot-Brittannië kwam de woning leeg te staan, maar werd vanaf maart 2007 door zijn dochter (om niet) bewoond.
De kern van het geschil betrof de vraag of de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld, een vereiste voor toepassing van artikel 3.111, zesde lid Wet IB 2001, dat hypotheekrenteaftrek mogelijk maakt in uitzendsituaties. De inspecteur stelde dat de dochter een derde was, waardoor het vereiste niet werd voldaan.
De rechtbank concludeerde dat de woning belanghebbende het gehele jaar ter beschikking stond, ook tijdens het gebruik door zijn dochter. Het feit dat de dochter niet tot het huishouden behoort, maakt haar niet automatisch een derde in de zin van het zesde lid. De aanslag werd verminderd en de proceskosten werden aan belanghebbende toegewezen.
De uitspraak bevestigt dat tijdelijk gebruik door een familielid niet automatisch betekent dat de woning niet meer als eigen woning geldt voor de eigenwoningregeling in uitzendsituaties.
Uitkomst: De woning wordt aangemerkt als eigen woning en de aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd tot nihil.