ECLI:NL:PHR:2012:BX9090
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terbeschikkingstelling eigen woning bij uitzending en bewoning door volwassen kind
De zaak betreft de toepassing van artikel 3.111, lid 6, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op een woning van een belastingplichtige die tijdelijk in het buitenland werkt. De woning werd sinds 1993 bewoond door belanghebbende en zijn gezin. Vanaf 15 maart 2007 woont de volwassen dochter, die niet meer tot het huishouden behoort, in de woning. Belanghebbende kan de woning bij terugkeer gebruiken.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de woning ondanks bewoning door de dochter niet aan derden ter beschikking werd gesteld, omdat belanghebbende de vrije beschikkingsmacht behield en de dochter niet als derde kon worden beschouwd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze beoordeling.
De Hoge Raad stelt dat de dochter niet meer tot het huishouden behoort en dat dit oordeel niet wordt bestreden. De Hoge Raad oordeelt dat de woning in dat geval als ter beschikking gesteld aan derden moet worden beschouwd, en dat de eigenwoningregeling dan niet van toepassing is. De conclusie is dat de woning niet langer als eigen woning kan worden aangemerkt voor de hypotheekrenteaftrek in de situatie van bewoning door een volwassen kind dat zelfstandig woont.
Het incidentele beroep van belanghebbende tot integrale proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die dit rechtvaardigen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de woning niet langer als eigen woning kan worden aangemerkt omdat deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de volwassen dochter die niet tot het huishouden behoort.