ECLI:NL:RBBRE:2010:BO9921
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.M. de Werd
- D. Hund
- W.A.P. van Roij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ontbreken aanmerkelijk belang bij geldverstrekking aan gefailleerde vennootschappen
Belanghebbende heeft in 2008 een bedrag van € 250.000 verstrekt aan vennootschappen die later failliet gingen. Hij rekende dit bedrag als een negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen toe aan zijn belastbaar inkomen. De kernvraag was of belanghebbende een aanmerkelijk belang had in de gefailleerde B.V.'s volgens artikel 4.6 Wet IB 2001.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat waardeveranderingen van 5% of meer in het geplaatste kapitaal voor zijn rekening en risico waren, noch dat hij een optierecht had om ten minste 5% van het geplaatste kapitaal te verwerven. De afspraken met zijn broer en de structuur van de aandelen, gehouden door een trust op de Kaaimaneilanden, boden onvoldoende bewijs voor een aanmerkelijk belang.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en de zakelijkheid van de lening werden niet behandeld omdat de rechtbank het ontbreken van een aanmerkelijk belang doorslaggevend vond. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
De uitspraak bevestigt dat het enkel verstrekken van geld en het vervullen van een sturende rol binnen een concern niet automatisch leidt tot het hebben van een aanmerkelijk belang in de vennootschappen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een aanmerkelijk belang.