ECLI:NL:RBBRE:2011:BP2696
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over vergoeding vrij opneembare dagen aan Tijdspaarfonds
Eiser was sinds 2002 in dienst bij een werkgever die in 2010 failliet werd verklaard. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst verzocht eiser UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgever over te nemen. UWV nam een besluit over de overname, waarop eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Breda.
De kern van het geschil betrof de vergoeding voor tien vrij opneembare roostervrije dagen en drie kort verzuimdagen die de werkgever niet aan het Tijdspaarfonds had betaald. De vraag was of deze vergoeding over dertien weken of over een jaar moest worden overgenomen volgens artikel 64 van Pro de WW.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever verplicht was de vergoeding aan het Tijdspaarfonds, een derde, te betalen en dat dit onder artikel 64, eerste lid, onder c, van de WW valt. Het is niet van belang of er een directe civiele rechtsverhouding bestaat tussen werkgever en Tijdspaarfonds. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg UWV op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd het griffierecht aan eiser vergoed en werd UWV veroordeeld in de proceskosten. Over de door eiser gevraagde schadevergoeding werd geen uitspraak gedaan, maar verweerder kreeg de mogelijkheid dit in een nieuw besluit te betrekken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met opdracht tot nieuw besluit over de vergoeding aan het Tijdspaarfonds.