ECLI:NL:RBBRE:2011:BP3976
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening en veroordeling in proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht
Verzoeker maakte bezwaar tegen een indicatiebesluit van de Stichting Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) waarin werd bepaald dat hij geen recht had op AWBZ-zorg voor persoonlijke verzorging en begeleiding. Na een nieuwe aanvraag werd op 19 november 2010 zorg voor verpleging geïndiceerd. Verzoeker stelde een voorlopige voorziening in, maar het verzoek werd afgewezen omdat het nieuwe indicatiebesluit niet strekte tot wijziging van het primaire besluit en verzoeker geen bezwaar had gemaakt tegen het nieuwe besluit.
De gemachtigde van verzoeker vroeg uitstel van de zitting van 18 januari 2011 vanwege de medische toestand van verzoeker, maar dit werd afgewezen. De gemachtigde verscheen niet op de zitting, terwijl verzoeker wel aanwezig was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedragingen van de gemachtigde, waaronder het niet verschijnen zonder bericht en het niet tijdig informeren van verzoeker, kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht vormden.
Daarom werd verzoeker veroordeeld in de proceskosten van verweerster, bestaande uit reis- en verletkosten van de gemachtigde, te betalen door de voormalig gemachtigde van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Tegen deze uitspraak stond geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van verweerster, te betalen door zijn voormalig gemachtigde.