ECLI:NL:RBBRE:2011:BP6683
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herinvesteringsvoornemen na verkoop onroerende zaak in 2005
Belanghebbende had in 2005 een onroerende zaak verkocht en een herinvesteringsreserve gevormd. De inspecteur accepteerde deze reserve niet bij de aanslag vennootschapsbelasting. De kern van het geschil betrof de vraag of er op 31 december 2005 een herinvesteringsvoornemen bestond.
De rechtbank oordeelde dat een dergelijk voornemen snel aangenomen moet worden, maar dat er objectief bewijs voor moet zijn. Belanghebbende verwees naar het statutaire doel en beperkte feitelijke werkzaamheden, wat onvoldoende was. Getuigenverklaringen en stukken, waaronder een geantedateerde brief van een makelaar, werden als niet betrouwbaar of onvoldoende beoordeeld.
Ook werd vastgesteld dat de aankoop van vervangende panden pas in 2008 plaatsvond, wat het bestaan van een herinvesteringsvoornemen per ultimo 2005 niet aannemelijk maakte. De rechtbank concludeerde dat het herinvesteringsvoornemen niet was aangetoond en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het herinvesteringsvoornemen per 31 december 2005 niet aannemelijk is gemaakt.