ECLI:NL:RBBRE:2011:BP6976
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing afwaardering vordering varkenshandelaar wegens onvoldoende bewijs
Belanghebbende, een varkenshandelaar, had in 2006 een afwaardering van dubieuze debiteuren op haar balans opgenomen voor een vordering op afnemer [Y]. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk een vordering had op [Y], mede door gebrekkige kasadministratie en het ontbreken van kwitanties voor contante betalingen. Bovendien heeft de afnemer in 2007 nog aanzienlijke betalingen verricht, waardoor het risico op oninbaarheid per 31 december 2006 niet aannemelijk is.
De inspecteur had de aanslag vennootschapsbelasting over 2006 gecorrigeerd door de dubieuze debiteuren af te wijzen en administratiekosten ter discussie gesteld. De rechtbank oordeelt dat de administratiekosten redelijk zijn en dat de inspecteur onvoldoende bewijs heeft geleverd om deze kosten af te wijzen.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag tot een belastbaar bedrag van € 27.944, en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende. De rechtbank wijst het beroep toe omdat de afwaardering niet op goede gronden kon worden toegepast en de administratiekosten wel terecht zijn gemaakt.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag vennootschapsbelasting 2006 en vermindert deze wegens onvoldoende aannemelijkheid van de vordering op de afnemer.