ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ0011
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijke proceskostenvergoeding bij bezwaar tegen WOZ-aanslag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de daarbij behorende aanslag onroerende-zaakbelastingen 2010. Verweerder kende een vergoeding toe van €179,50, bestaande uit kosten rechtsbijstand en een deskundige. De rechtbank oordeelt dat de zaak van gemiddeld gewicht is en dat de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op basis van een wegingsfactor van 0,25 te laag is vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat de door de deskundige bestede uren (3,5 uur) redelijk zijn en dat het uurtarief van €50 passend is, inclusief 19% BTW. Hierdoor wordt de vergoeding voor de deskundige vastgesteld op €208,25. De totale proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €644,75, waarvan reeds €179,50 is betaald, zodat nog €465,25 aan belanghebbende moet worden vergoed.
De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar en veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden bestreden bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op €644,75 en veroordeelt verweerder tot betaling van het resterende bedrag van €465,25 aan belanghebbende.