ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5721
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over naheffingsaanslagen en boetes fosfaat- en stikstofheffing 2000
Belanghebbende, een pluimveebedrijf, werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen fosfaat- en stikstofheffing en vergrijpboetes over het heffingsjaar 2000. De inspecteur stelde dat de mestexport naar een Duitse afnemer fictief was, gebaseerd op een opsporingsonderzoek van de Algemene Inspectiedienst (AID) dat valsheid in geschrift en onjuiste administratie aan het licht bracht.
Belanghebbende voerde aan dat de mest daadwerkelijk was afgevoerd en overhandigde diverse afleveringsbewijzen en CMR-vervoersdocumenten, maar kon niet aantonen dat de mest daadwerkelijk naar Duitsland was vervoerd, mede door het ontbreken van verplichte CMR-nummers op afleveringsbewijzen en het ontbreken van transportmeldingen. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan de bewijslast zoals voorgeschreven in artikel 45 Meststoffenwet Pro en artikel 9 Besluit Pro administratieve verplichtingen Meststoffenwet.
De rechtbank verwierp het beroep tegen de naheffingsaanslagen, maar achtte de opgelegde boete wegens grove schuld te hoog. Gezien de onzekerheden en de lange duur van de procedure werd de boete verminderd van €130.262,94 naar €70.000. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard.
Uitkomst: Naheffingsaanslagen fosfaat- en stikstofheffing worden gehandhaafd; boete wegens grove schuld wordt verminderd tot €70.000.