ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5788
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geheimhouding op grond van artikel 8:29 Awb in belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de inspecteur verzoek gedaan om beperkte kennisneming van diverse stukken die betrekking hebben op navorderingsaanslagen en boetes opgelegd aan belanghebbenden. De rechtbank heeft de stukken beoordeeld en een afweging gemaakt tussen het belang van belanghebbenden bij volledige inzage en het belang van de inspecteur bij geheimhouding.
De inspecteur beriep zich op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 67 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om persoonsgegevens, controlestrategische informatie en gegevens die de betrekkingen met andere staten kunnen schaden, af te schermen. Belanghebbenden hebben zich niet verzet tegen de anonimisering van persoonsgegevens, maar wensten wel volledige openbaarheid om de gang van zaken te kunnen verifiëren.
De rechtbank concludeerde dat het recht op kennisneming geen absoluut recht is en dat de door de inspecteur aangevoerde zwaarwegende belangen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij openbaarheid. De beperking van kennisneming van namen, adressen, telefoonnummers, e-mailadressen en andere persoonsgegevens werd daarom gerechtvaardigd verklaard. Ook controlestrategische documenten mochten geheim blijven om de effectiviteit van de Belastingdienst te waarborgen.
De rechtbank heeft de zaak behandeld in een geheimhoudingskamer en de beslissing genomen op 18 maart 2011. Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de beperking van kennisneming van stukken op grond van artikel 8:29 Awb gerechtvaardigd is.