ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ6291
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geheimhouding stukken in belastingzaak op grond van artikel 8:29 Awb
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de inspecteur een verzoek gedaan om beperkte kennisneming van diverse stukken die betrekking hebben op navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen. Belanghebbenden vorderden volledige inzage, maar de inspecteur beriep zich op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om bepaalde gegevens te anonimiseren en geheim te houden.
De rechtbank heeft de geschoonde en ongeschoonde versies van de stukken bestudeerd en een belangenafweging gemaakt tussen het belang van belanghebbenden bij volledige openbaarheid en het belang van de inspecteur bij geheimhouding. De rechtbank concludeert dat de bescherming van persoonsgegevens van derden, het belang van een effectieve opsporing en vervolging, alsmede controlestrategische overwegingen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden.
De rechtbank oordeelt dat de beperking van de kennisneming van onder meer namen, adressen, telefoonnummers, e-mailadressen, en bepaalde interne memo's gerechtvaardigd is. Ook stukken zoals het Draaiboek Bank Zonder Naam en memo's over identificatieprocessen mogen geheim blijven. De rechtbank wijst verzoeken tot openbaring van bepaalde brieven af omdat deze niet in het dossier aanwezig zijn of niet relevant zijn.
De beslissing is genomen na een zitting en behandeling in de geheimhoudingskamer. De rechtbank bepaalt dat het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 Awb Pro slaagt en dat de beperking van kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de beperking van kennisneming van stukken op grond van artikel 8:29 Awb gerechtvaardigd is en handhaaft de geheimhouding.