ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1484
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag loonbelasting op vergoeding niet-uitoefening optierechten binnen concern
Een werknemer van belanghebbende verkreeg in november 1998 optierechten. In november 1999 tekende hij een overeenkomst waarin hij tegen vergoeding verklaarde geen gebruik te zullen maken van deze rechten. De inspecteur kwalificeerde dit als vervreemding binnen drie jaar, waardoor een naheffingsaanslag loonbelasting werd opgelegd aan belanghebbende, de inhoudingsplichtige.
Belanghebbende betwistte de naheffingsaanslag, de boete en de heffingsrente. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst gelijkstaat aan vervreemding van optierechten binnen drie jaar, waardoor loonbelastingheffing terecht was. Ook werd geoordeeld dat de naheffingsaanslag aan belanghebbende kon worden opgelegd, ondanks dat zij op dat moment was ontbonden, en dat de vergoeding correct was vastgesteld.
De rechtbank verwierp het beroep op opgewekt vertrouwen en stelde het genietingsmoment vast op 1 januari 2000, toen de vergoeding rentedragend werd. Wel werd de heffingsrente verminderd omdat deze vanaf 1 januari 2001 moest worden berekend. De boete werd vernietigd omdat de rechtbank oordeelde dat belanghebbende mocht vertrouwen op het advies van haar fiscale adviseur en er geen opzet of grove schuld was. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Naheffingsaanslag loonbelasting bevestigd, boete vernietigd en heffingsrente verminderd.