ECLI:NL:RBBRE:2011:BU2933
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verkoop van kortingskaarten zonder nominale waarde is niet vrijgesteld van omzetbelasting
Belanghebbende hield zich bezig met de uitgifte en verkoop van kortingskaarten die recht geven op kortingen bij diverse horecabedrijven en andere aanbieders. De vraag was of deze kaarten onder de vrijstelling van omzetbelasting vallen volgens artikel 11 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968. De rechtbank stelde vast dat de kaarten geen nominale waarde hebben en geen betaalmiddel zijn, maar slechts recht geven op korting of gedeeltelijke vergoeding bij aankoop van goederen of diensten.
De rechtbank onderzocht of de kortingskaarten kwalificeren als effecten, waardepapieren of handelspapieren in de zin van de wet en de Zesde richtlijn omzetbelasting. Uit de uitleg bleek dat de kaarten niet voldoen aan de kenmerken van waardepapieren of handelspapieren, omdat zij geen bewijs van vordering of deelgerechtigdheid vormen en ook niet functioneren als betaalmiddel.
Belanghebbende beriep zich op het vertrouwensbeginsel vanwege eerdere jurisprudentie en een besluit van de staatssecretaris, maar de rechtbank oordeelde dat het onderscheid tussen cadeaubonnen en kortingskaarten duidelijk is en dat de inspecteur niet in strijd met het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de verkoop van de kortingskaarten niet is vrijgesteld van omzetbelasting.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de verkoop van kortingskaarten niet vrijgesteld is van omzetbelasting.