ECLI:NL:RBBRE:2011:BU4679

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
6 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/5438
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.20 lid 5 Wet inkomstenbelasting 2001Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArtikel 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bijtelling privégebruik bestelauto niet uitgesloten wegens inrichting en gebruik

Belanghebbende, een ondernemer in lijstenmakerij en handel in ophangsystemen, gebruikte een bestelauto die onderdeel uitmaakt van zijn ondernemingsvermogen. De bestelauto heeft een bestuurders- en passagiersstoel en een laadruimte met een extra houten vloer. De passagiersstoel wordt regelmatig gebruikt voor het vervoer van een werknemer die helpt bij werkzaamheden.

De kern van het geschil was of de bestelauto door haar aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 3.20, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De inspecteur stelde dat dit niet het geval was, hetgeen belanghebbende betwistte.

De rechtbank oordeelde dat de bestelauto niet zodanig was ingericht dat het vervoer van personen onmogelijk of vrijwel onmogelijk was. Het feit dat de passagiersstoel regelmatig werd gebruikt en de laadruimte niet vervuild was, maakte dat de auto ook geschikt was voor personenvervoer. Daarom voldeed de bestelauto niet aan het criterium van uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt voor goederenvervoer.

Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag zij geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat de bestelauto niet uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 10/5438
Uitspraakdatum: 6 oktober 2011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Oss,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 19 november 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2008 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer].H86) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (aanslagnummer [nummer].W86).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Sint-Oedenrode, alsmede namens de [gemachtigden].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende is ondernemer. De ondernemersactiviteiten betreffen een lijstenmakerij, handel in ophangsystemen, kunstuitleen en alles wat daarmee samenhangt. Voor zijn werkzaamheden maakt belanghebbende gebruik van een bestelauto, een [bestelauto] (hierna: de bestelauto).
2.2. De bestelauto behoort tot het ondernemingsvermogen. De bestelauto beschikt over een bestuurders- en passagiersstoel. De laadruimte is voorzien van een extra houten laadvloer. Deze extra laadvloer is bevestigd door middel van acht schroeven. De laadruimte is bereikbaar via de achterklep en via de zijkant door middel van een schuifdeur met raam. Dit raam is niet geblindeerd. Aan de buitenzijde van de auto is belettering betreffende de onderneming aangebracht. De bestelauto beschikt over een bestuurders- en een passagiersstoel. De passagiersstoel wordt regelmatig (gemiddeld eenmaal per veertien dagen) gebruikt om een werknemer te vervoeren die helpt bij het uitvoeren van de werkzaamheden, zoals het leveren en/of ophangen van zeer zware lijsten. Het gebruik van de auto brengt niet mee dat deze stinkt en/of zodanig vervuild is dat deze niet meer geschikt is voor het vervoer van personen.
2.3. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen zoals bedoeld in artikel 3.20, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.4. In de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26727, nr. 3, blz. 187) is met betrekking tot het privé gebruik van een bestelauto onder andere het volgende opgemerkt:
“(…) De forfaitaire behandeling is echter niet passend voor die bestelauto's die door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijken te zijn voor goederenvervoer. Gedacht wordt aan sommige service-auto's waarin naast de bestuurder alleen plaats is voor gereedschappen en reserveonderdelen.(…)”
2.5. In het licht van de onder 2.2 vermelde feiten, heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de bestelauto voldoet aan het onder 2.3 genoemd criterium. De bestelauto beschikt immers naast de bestuurdersstoel over een passagiersstoel en is niet zodanig vervuild dat deze niet meer geschikt is voor het vervoer van personen. Gelet hierop bestaat de mogelijkheid voor het vervoer van personen anders dan van de werknemers in eerdervermelde zin. Het kan dan ook niet worden gezegd dat de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.
2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en drs. J.M.C. Hendriks, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2011.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11 oktober 2011
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.