ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5298
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over navorderingsaanslagen en vergrijpboeten vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een fiscale-eenheidsmoedermaatschappij met een autosloperijdochter, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2002 tot en met 2005. De inspecteur stelde dat katalysatoren waren verkocht aan bedrijf X, maar deze omzet was niet verantwoord in de aangiften. De rechtbank constateerde dat belanghebbende niet voldeed aan haar administratieverplichtingen, waardoor omkering van de bewijslast van toepassing was.
De rechtbank achtte aannemelijk dat in de jaren 2003 tot en met 2005 katalysatoren waren verkocht aan bedrijf X, mede op basis van lijsten en telefooncontacten. Voor 2002 was dit niet zonder meer aannemelijk, maar de inspecteur mocht uitgaan van een reële kans dat ook toen verkopen plaatsvonden. De navorderingsaanslagen werden als redelijke berekeningen beoordeeld.
De opgelegde vergrijpboeten voor 2003 en 2004 werden bevestigd, maar voor 2002 werd het beroep gegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs. Verder werd de redelijke termijn voor de behandeling van de boetezaken overschreden, waardoor de boeten werden verminderd tot 18,75%. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende voor het boeteberoep 2002 en wees andere beroepen af.
Uitkomst: Beroep tegen boete 2002 gegrond, boeten 2003 en 2004 bevestigd maar verminderd tot 18,75%, navorderingsaanslagen over 2002-2005 gehandhaafd.