ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1094
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij verdeling nalatenschap na overlijden
Erflater, die samen met zijn echtgenote een onderneming dreef, is in 2006 overleden. De echtgenoten waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In het testament waren de echtgenote en de twee kinderen ieder voor een derde erfgenaam benoemd, met een ouderlijke boedelverdeling die de echtgenote het recht gaf om de verdeling binnen acht maanden na overlijden geheel of gedeeltelijk niet te aanvaarden. De echtgenote maakte hiervan gebruik, waardoor het ondernemingsvermogen onverdeeld bleef en ieder erfgenaam aanvankelijk recht had op een derde deel.
Ruim twee jaar na het overlijden werd de nalatenschap bij notariële akte verdeeld, waarbij het ondernemingsvermogen aan de twee kinderen werd toegedeeld, ieder voor de helft. De kinderen zetten de onderneming voort en deden een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling. De inspecteur beperkte echter de toepassing van deze regeling tot het testamentaire erfdeel van een derde per kind, omdat de verdeling pas na de tweejaarseis van artikel 53a SW had plaatsgevonden.
Belanghebbende stelde dat de tweejaarseis niet van toepassing was omdat de aanslag pas na de verdeling was opgelegd en dat de inspecteur door het niet reageren op een brief van de notaris het vertrouwen had gewekt de akte van verdeling te zullen volgen. De rechtbank oordeelde dat de tekst van artikel 53a, derde lid, SW weliswaar onduidelijk is, maar dat de bedoeling van de wetgever is dat de tweejaarseis ook geldt als de aanslag later wordt opgelegd. Tevens was er geen sprake van gewekt vertrouwen omdat de inspecteur geen toezegging had gedaan over het volgen van de akte van verdeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de inspecteur mag de bedrijfsopvolgingsregeling beperken tot het testamentaire erfdeel van een derde.