ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9121
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Brouwer
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- A.W. Schep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorziening voor toekomstige betalingen uit hoofde van bouwfraude
Belanghebbende, een B.V., vormde samen met haar dochtervennootschap een fiscale eenheid voor vennootschapsbelasting. In 2001 werd een schaduwadministratie van een bouwbedrijf door de oud-directeur aan het Openbaar Ministerie overhandigd, waarbij de naam van belanghebbende voorkwam. Deze administratie leidde tot de ontdekking van bouwfraude.
Belanghebbende stelde dat er op de balansdatum 31 december 2002 een redelijke mate van zekerheid bestond dat zij toekomstige betalingen moest verrichten aan ex-opdrachtgevers vanwege deze bouwfraude, en wilde daarom een voorziening vormen van €750.000. De inspecteur betwistte dit.
De rechtbank sloot zich aan bij het Baksteenarrest van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat een voorziening mag worden gevormd indien een toekomstige uitgave haar oorsprong vindt in feiten die zich vóór de balansdatum hebben voorgedaan en er een redelijke mate van zekerheid is dat de uitgave zich zal voordoen. De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.
Belanghebbende verwees naar dagvaardingen uit 1999 en 2003. De dagvaardingen uit 1999 waren reeds onderwerp van een vaststellingsovereenkomst waarin was afgesproken dat geen voorziening kon worden gevormd. De dagvaardingen uit 2003 waren na de balansdatum uitgebracht, waardoor er op de balansdatum geen redelijke mate van zekerheid bestond.
Daarom heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het vormen van de voorziening geweigerd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot het vormen van een voorziening af wegens gebrek aan redelijke mate van zekerheid op de balansdatum.