ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9122
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Brouwer
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- A.W. Schep
- Rechtspraak.nl
Niet toekennen voorziening voor oninbare vordering ultimo 2003
Belanghebbende, een B.V., vormde samen met haar dochtervennootschap een fiscale eenheid voor vennootschapsbelasting. In 2003 verstrekte de dochtervennootschap een krediet aan een derde partij, waarvan een vordering van €391.250 openstond. Belanghebbende had deze vordering wegens oninbaarheid volledig ten laste van het resultaat gebracht.
De inspecteur corrigeerde deze aftrek en stelde dat er geen redelijke mate van zekerheid bestond dat de vordering niet zou worden terugbetaald ultimo 2003. De rechtbank toetste dit aan het Baksteenarrest van de Hoge Raad en concludeerde dat belanghebbende niet had aangetoond dat de vordering oninbaar was op de balansdatum.
De jaarstukken van de debiteur toonden een positief resultaat en een positief eigen vermogen ultimo 2003. Verwijzingen naar economische kengetallen waren onvoldoende. Ook latere gebeurtenissen, zoals een afwaardering in 2004 en een WKA-claim, konden niet worden betrokken bij de waardering per balansdatum.
Daarom was het vormen van een voorziening ten laste van het resultaat niet gerechtvaardigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de inspecteur kreeg gelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat de vordering ultimo 2003 oninbaar was.