ECLI:NL:RBBRE:2012:BW2485

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
10 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
707546 az 12-59
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BWArt. 20 EEX-VoArt. 59 EEX-VoArt. 1:10 BWArt. 1:14 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederlandse rechter niet bevoegd wegens woonplaats werknemer in België en geen geldige domiciliekeuze

In deze zaak verzocht Withagen Techniek B.V. ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer die in België woont. De werkgever stelde dat de werknemer uitdrukkelijk domicilie had gekozen bij zijn advocaat in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn. De werknemer betwistte dit en stelde dat hij woonachtig is in België.

De kantonrechter beoordeelde de bevoegdheid aan de hand van de artikelen 18 tot en met 21 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 (EEX-Vo). Volgens artikel 20 EEX Pro-Vo kan een werkgever alleen procederen bij de rechter van de lidstaat waar de werknemer woonplaats heeft. De vraag was of een gekozen domicilie als woonplaats kon gelden.

Uit het rapport bij het EEX-verdrag en de tekst van artikel 59 EEX Pro-Vo volgt dat het begrip woonplaats niet strekt tot een fictieve woonplaats door domiciliekeuze. Dit betekent dat alleen de werkelijke woonplaats, zoals bepaald in de artikelen 1:10 tot en met 1:14 BW, relevant is en niet de gekozen woonplaats volgens artikel 1:15 BW Pro.

De kantonrechter concludeerde dat de werknemer woonplaats heeft in België en dat de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd is. Er was ook geen geldige overeenkomst tussen partijen na het ontstaan van het geschil die bevoegdheid zou kunnen toekennen. De kantonrechter verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd omdat de werknemer woonplaats heeft in België en er geen geldige domiciliekeuze is gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
team kanton Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 707546 AZ VERZ 12-59
beschikking d.d. 10 april 2012
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WITHAGEN TECHNIEK B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te (4661 TW) Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, aan de Koningsspil 28,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. H.E.Chr.M. Nieland, advocaat te Bergen op Zoom,
tegen:
[verweerder],
wonende te [adres],
verwerende partij,
gemachtigde: mr. J.A.J. Hooymaayers, advocaat te Breda.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk “Withagen” en “[verweerder]”.
1. Het verloop van het geding
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het op 2 maart 2012 ter griffie ontvangen verzoekschrift;
b. het faxbericht/de brief van de gemachtigde van [verweerder] d.d. 6 maart 2012;
c. het faxbericht van de gemachtigde van Withagen d.d. 16 maart 2012;
d. het faxbericht van de gemachtigde van [verweerder] d.d. 21 maart 2012;
e. het aanvullende faxbericht van de gemachtigde van [verweerder] d.d. 27 maart 2012.
2. Het verzoek en de beoordeling
2.1 Het verzoek strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de voet van het bepaalde in artikel 7:685 BW Pro, voor zover mocht blijken dat deze arbeidsovereenkomst nog bestaat. Voorafgaand aan een inhoudelijke behandeling van de zaak heeft [verweerder] betwist dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 20 van Pro de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna te noemen “EEX-Vo”).
2.2 Withagen stelt dat [verweerder] in onderhavige procedure uitdrukkelijk woonplaats heeft gekozen ten kantore van zijn advocaat mr. J.A.J. Hooijmaayers te Breda. Daarnaast stelt Withagen dat de kantonrechter te Bergen op Zoom bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, nu de arbeid door [verweerder] in de regel in Halsteren werd verricht.
Ter toelichting heeft Withagen gesteld dat de gemachtigde van [verweerder] bij faxbericht van 3 februari 2012 aan hem te kennen heeft gegeven dat hij domicilie heeft gekozen ten kantore van mr. J.A.J. Hooymaayers in Breda, als gevolg waarvan artikel 20 EEX Pro-Vo niet van toepassing zou zijn.
2.3 [verweerder] voert aan dat de rechter in Nederland niet bevoegd is, nu hij woonachtig is in België. [verweerder] betwist dat hij domicilie heeft gekozen ten kantore van zijn advocaat mr. J.A.J. Hooymaayers te Breda. Bovendien zou, als er al sprake is van een domiciliekeuze, deze keuze niet relevant zijn gelet op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van
27 mei 2008 (JAR 2008, 163).
2.4 De kantonrechter overweegt als volgt. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 18 tot en met 21 EEX-Vo. Krachtens artikel 18 EEX Pro-Vo wordt de bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit een arbeids-overeenkomst geregeld in afdeling 5 van de EEX-Vo. Op grond van artikel 20 EEX Pro-Vo kan een vordering van de werkgever slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar de werknemer woonplaats heeft. Nu [verweerder] woonachtig is in [woonplaats] te Belgie staat vast dat [verweerder] woonplaats heeft in België. De vraag is echter of er sprake is van een domiciliekeuze van [verweerder].
2.5 Krachtens artikel 59 EEX Pro-Vo dient het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt zijn intern (nationale) recht toe te passen om vast te stellen waar een partij woonplaats heeft. Boek 1, titel 3 BW bepaalt waar iemand zijn woonplaats heeft. Van belang is of artikel 59 EEX Pro-Vo beoogt te verwijzen naar de nationaalrechtelijke bepalingen die de werkelijke woonplaats definiëren, of dat deze nationaalrechtelijke bepalingen ook ruimte bieden om onder “woonplaats” mede te verstaan een gekozen woonplaats, als bedoeld in artikel 1:15 BW Pro, dat wil zeggen een fictieve woonplaats. Concreet komt dit neer op de vraag of artikel 59 EEX Pro-Vo beoogt te verwijzen naar de artikelen 1:10 tot en met 1:14 BW dan wel beoogt te verwijzen naar de artikelen 1:10 tot en met 1:15 BW.
2.6 In het rapport bij het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 27 september 1968 (Trb. 1969, 101; hierna te noemen: “EEX-verdrag”) wordt uitvoerig ingegaan op het aanknopingspunt “woonplaats” van verweerder ter bepaling van de bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 52 EEX Pro-verdrag (zie Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 59, 5 maart 1979, blz. 15–18). Hierover wordt onder meer (op blz. 18) opgemerkt: “Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het begrip woonplaats in de zin van het Verdrag zich niet uitstrekt tot domiciliekeuze, welke handeling leidt tot een fictief domicilie.” Aldus volgt uit deze toelichting dat bij de bepaling van de woonplaats als bedoeld in het EEX-verdrag een beding betreffende de woonplaatskeuze buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit sluit geheel aan bij hetgeen overigens in het rapport over het aanknopingspunt “woonplaats” is opgemerkt (zie onder meer blz. 15–18).
2.7 De EEX-Vo vervangt het EEX-verdrag zonder dat daarbij wijziging is gebracht in het begrip “woonplaats” als aanknopingspunt voor de rechtsmacht (zie Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 12, 16 januari 2001. blz. 1–3). Artikel 59 EEX Pro-Vo stemt nagenoeg letterlijk overeen met artikel 52 EEX Pro-verdrag. Dit leidt tot het oordeel dat artikel 59 EEX Pro-Vo slechts beoogt te verwijzen naar de artikelen 1:10 tot en met 1:14 BW en niet beoogt te verwijzen naar de artikelen 1:10 tot en met 1:15 BW. Een en ander brengt mee dat ook in artikel 20 EEX Pro-Vo bij bepaling van de woonplaats geen rekening mag worden gehouden met de gekozen woonplaats, vóór het ontstaan van het geschil (Gerechtshof Amsterdam, 27 mei 2008, LJN: BD5905).
2.8 Uit het vorenstaande volgt dat [verweerder] op grond van artikel 59 EEX Pro-Vo jo. artikel 1:10 BW Pro woonplaats heeft in België en de Nederlandse rechter derhalve niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Nu evenmin sprake is van een overeenkomst tussen partijen, gesloten nà ontstaan van het geschil als bedoeld in artikel 21 EEX Pro-Vo., zal de kantonrechter zich onbevoegd verklaren.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2012.
Typ: lg
Coll: