ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3992
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.M. de Werd
- C.A.F.M. Stassen
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Geen vrijstelling dividendbelasting voor investeringsvennootschap met klein aandelenbelang in Royal Dutch Shell
Belanghebbende, een investeringsvennootschap gevestigd in Cyprus, hield in 2006 een aandelenbelang van minder dan 0,03% in Royal Dutch Shell Plc. Over het ontvangen dividend werd dividendbelasting ingehouden. Belanghebbende stelde dat zij recht had op vrijstelling van deze inhouding op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, omdat het aandelenbezit niet slechts als belegging werd gehouden maar een strategische investering vormde binnen het concern.
De rechtbank heeft onderzocht of het aandelenbezit kwalificeert als een deelneming in de zin van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarbij het van belang is dat het bezit niet slechts als belegging wordt gehouden maar in de lijn ligt van de normale uitoefening van de onderneming. De verklaring van de directeur van belanghebbende werd beoordeeld als te algemeen en onvoldoende specifiek om aan te tonen dat het belang in Shell meer was dan een belegging.
Verder is vastgesteld dat het belang werd opgebouwd op koersbodems en verkocht tijdens koerspieken, zonder concrete aanwijzingen dat het aandelenbezit de samenwerking met Royal Dutch Shell daadwerkelijk heeft bevorderd. Er was geen bewijs van actieve betrokkenheid binnen Shell. Daarom concludeerde de rechtbank dat het belang slechts als belegging werd gehouden en wees het beroep af. De inhoudingsvrijstelling werd niet toegekend en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat het aandelenbelang slechts als belegging werd gehouden en geen recht op vrijstelling van dividendbelasting bestaat.