ECLI:NL:RBBRE:2012:BX9256
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eigen woning status van onroerende zaken bij gescheiden echtgenoten en huursituatie met zoon
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de onroerende zaken van belanghebbende als eigen woning kunnen worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting over het jaar 2006. De rechtbank stelt vast dat 50% van de onroerende zaken eigendom is van de voormalige echtgenote en derhalve niet als eigen woning van belanghebbende kan worden beschouwd.
Van de overige 50% wordt het gedeelte bewoond door de zoon van belanghebbende en diens gezin als zelfstandig aangemerkt, omdat dit deel beschikt over een eigen toilet, badkamer, keuken en afsluitbare voordeur. Hierdoor is er geen sprake van één woning of aanhorigheid. De stelling van belanghebbende dat sprake is van een gezamenlijke huishouding wordt verworpen vanwege de huursituatie tussen hem en zijn zoon.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bewijslast om het gehele pand als eigen woning aan te merken. De door de inspecteur gehanteerde verdeelsleutel wordt niet onjuist bevonden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag wordt ongegrond verklaard.