ECLI:NL:GHAMS:2009:BO7170
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aanhorigheid en eigen woningbegrip in Wet inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een aanslag inkomstenbelasting 2002 waarbij de inspecteur een belastbaar inkomen uit werk en woning had vastgesteld. De kern van het geschil betrof de vraag of de panden aan de …weg en N te L als één eigen woning konden worden aangemerkt volgens artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat sprake was van twee zelfstandige gebouwen en dat het pand aan de …weg geen aanhorigheid vormde van de woning aan N. Het hof oordeelde anders en stelde vast dat hoewel de panden niet één gebouw zijn, het pand aan de …weg tezamen met de tuin wel een aanhorigheid is van de woning aan N. Dit oordeel baseerde het hof op de feitelijke inrichting, het gebruik als opslag, hobbyruimte en gastenverblijf, en de dienstbaarheid aan de woning.
Het hof verwierp het standpunt van de inspecteur dat dienstbaarheid alleen kan bestaan als de woning niet onafhankelijk gebruikt kan worden zonder het pand. Verder stelde het hof vast dat de tuin en pand aan de …weg zodanig zijn ingericht dat ze als een geheel functioneren met de woning aan N, en dat de toegang tot de woning alleen via de oprijlaan aan de …weg mogelijk is.
Op grond van deze bevindingen vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, stelde de aanslag bij tot een lager belastbaar inkomen en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en stelt de aanslag inkomstenbelasting bij door het pand aan de …weg met tuin als aanhorigheid van de woning aan N te erkennen.