ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8401

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
24 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/1932
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.13 Wet IB 2001Art. 2 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001Art. 6.1 Wet IB 2001Afdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWR
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing persoonsgebonden aftrek voor kinderalimentatie wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud

Belanghebbende is in 2000 gescheiden en door de rechtbank veroordeeld tot het betalen van kinderalimentatie. Voor het jaar 2009 heeft hij in zijn aangifte inkomstenbelasting een persoonsgebonden aftrek opgevoerd voor het levensonderhoud van zijn kinderen. De inspecteur heeft deze aftrek geweigerd en het belastbaar inkomen verhoogd.

Belanghebbende stelde dat hij maandelijks € 790 aan zijn ex-echtgenote betaalde en overlegde een twaalftal kwitanties en een door beiden ondertekende verklaring over de betalingen per kind. De rechtbank oordeelde dat deze stukken onvoldoende bewijs vormen, mede gezien de familieverhouding en het feit dat belanghebbende sinds 2011 weer samenwoont met zijn ex-echtgenote.

De rechtbank nam ook mee dat belanghebbende geen bankafschriften kon overleggen en dat zijn verklaring hierover onvoldoende was. Op grond hiervan concludeerde de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn kinderen in 2009. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag is juist vastgesteld.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van belangrijke mate van levensonderhoud aan kinderen in 2009.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 12/1932
Uitspraakdatum: 24 augustus 2012
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 13 april 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2009 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de gelijktijdige beschikking heffingsrente.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2012 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], en namens de inspecteur, [gemachtigde].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende is in 2000 gescheiden en volgens beschikking van de rechtbank van 13 oktober 2000 moest hij een bedrag aan kinderalimentatie van fl. 250 (€ 114) per maand per kind aan zijn (toen) twee kinderen betalen. In maart 2001 is zijn derde kind geboren.
2.2. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.012 en daarbij een persoonsgebonden aftrek van € 4.620 in aanmerking genomen voor het levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar.
2.3. De inspecteur heeft de aftrek niet geaccepteerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 31.632.
2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op voornoemde persoonsgebonden aftrek. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.
2.5. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op de aftrek omdat hij maandelijks € 790 aan zijn ex-echtgenote heeft betaald en dus aan de wettelijke voorwaarden heeft voldaan. Belanghebbende heeft daarvoor afschriften van een twaalftal kwitanties overgelegd, waaruit de contante betaling van de bedragen van € 790 blijkt. Belanghebbende heeft tevens een door zijn ex-echtgenote ondertekend, in november 2011 opgesteld, geschrift overgelegd waarin verklaard wordt dat voor het oudste kind € 270 per maand betaald wordt en voor de twee andere kinderen € 260 per kind per maand (hierna: de verklaring).
2.6. Op grond van artikel 6.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) komen onder voorwaarden voor aftrek in aanmerking, uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar, die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. In artikel 2 van Pro de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, wordt aangegeven wanneer sprake is van het in belangrijke mate onderhouden van kinderen. Hiervan is sprake als de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind in 2009 ten minste € 408 per kwartaal beloopt. Op grond van artikel 6.1 van de Wet IB 2001 dienen deze kosten op de belastingplichtige te drukken.
2.7. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan voornoemde wettelijke bepalingen heeft voldaan. Het enkel overleggen van de kwitanties en de verklaring, acht de rechtbank, mede gelet op de familieverhouding, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur daarvoor onvoldoende. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende vanaf 5 januari 2011 weer ingeschreven staat op het adres van de ex-echtgenote en dat in de verklaring is verklaard dat belanghebbende vanaf het derde kwartaal weer met haar samenwoont. Belanghebbende heeft voorts nimmer, ook niet na vragen daarom van de inspecteur, bankafschriften overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende hierover verklaard dat belanghebbende zijn gehele loon meteen na overschrijving op zijn bankrekening, van de bank opnam zodat het overleggen van bankbescheiden geen zin had. De rechtbank acht die laatste, niet nader met bescheiden onderbouwde verklaring, ook onvoldoende. Het gelijk is aan de inspecteur. De aanslag is juist vastgesteld.
2.8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.
De griffier, de rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 september 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.