ECLI:NL:RBDHA:2013:10735

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 augustus 2013
Publicatiedatum
21 augustus 2013
Zaaknummer
AWB 13/12897
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 47 Vw 2000Hoofdstuk B22 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning kinderpardonregeling wegens niet voldoen aan vijfjaarstermijn en toezichtvoorwaarden

Verzoeker, van Burundische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (kinderpardonregeling). Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde dat hij of zijn pleegouders ten minste vijf jaar voor het bereiken van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend en dat hij na die aanvraag ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven.

Verzoeker betoogt dat de aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis op 20 december 2005 moet worden gezien als een asielaanvraag, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is omdat een mvv-aanvraag niet gelijkgesteld kan worden met een asielaanvraag, mede omdat de vreemdeling ten tijde van de mvv-aanvraag nog niet in Nederland verblijft.

Daarnaast stelt verweerder dat verzoeker zich langer dan drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of de Vreemdelingenpolitie, hetgeen door verzoeker onvoldoende is weersproken. Verzoeker voerde aan dat DT&V niet belast is met toezicht, maar de rechtbank volgt verweerder hierin.

Verzoekers beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid van de staatssecretaris wordt verworpen omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn gesteld die een afwijking rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat het bezwaar tegen het primaire besluit geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van de kinderpardonregeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 13/12897
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

gemachtigde: mr. W.A. Venema,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder
gemachtigde: mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning op grond van de ‘regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P. van Zijl.

Overwegingen

1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.
Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Burundische nationaliteit te bezitten. Verzoekers pleegvader,[naam 2], van eveneens Burundische nationaliteit, is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 21 september 2005 verleend. Op 20 december 2005 heeft verzoekers pleegvader verzocht om advies voor een machtiging voor voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor onder meer zijn echtgenote [naam 3] en verzoeker in het kader van nareis. Bij brief van 8 mei 2006 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken positief geadviseerd omtrent de afgifte van de gevraagde mvv’s. Aan [naam 3] is bij besluit van 28 november 2006 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend mede ten behoeve van verzoeker voor de periode van 22 november 2006 tot 22 november 2011. Bij besluit van 18 december 2009 zijn voornoemde verblijfsvergunningen ingetrokken. Deze beslissing staat in rechte vast. Verzoeker heeft op 5 april 2013 een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de ‘regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (hierna: kinderpardonregeling) ingediend.
3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet beschikt over een mvv. Verweerder is van mening dat verzoeker niet aan de voorwaarden zoals neergelegd in hoofdstuk B22 van de Vreemdelingencirculaire 2000
(Vc 2000), paragraaf 3.1, onder b en c, voldoet. Dit houdt in dat hij niet aan de voorwaarde voldoet dat hij dan wel zijn pleegouders ten behoeve van hem tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft/hebben ingediend bij verweerder en hij na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven. Verzoeker is geboren op [geboortedag] 1993. Dit betekent dat de asielaanvraag vóór 12 maart 2006 ingediend had moeten worden. Namens betrokkene is op 23 november 2006 een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag is hierdoor minder dan
vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar ingediend, aldus verweerder. Verder voldoet verzoeker evenmin aan de voorwaarde dat hij zich niet langer dan een periode van drie maanden onttrokken mag hebben aan het toezicht van Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of de Vreemdelingenpolitie. Het is verweerder uit adresonderzoek gebleken dat verzoeker en zijn familie op 15 mei 2012 met onbekende bestemming uit [woonplaats] vertrokken zijn. Op 10 december 2012 is verzoeker staande gehouden en vervolgens op 12 december 2012 in vreemdelingenbewaring geplaatst. In de tussenliggende periode is er geen contact geweest tussen verzoeker, de IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie en heeft hij zich langdurig onttrokken aan het toezicht van de overheid, aldus verweerder.
4.
Verzoeker is van mening dat hij aan het vereiste van de vijfjaarstermijn voldoet. Verzoekers pleegvader heeft ten behoeve van verzoeker op 20 december 2005, derhalve vóór 12 maart 2006, om een advies voor een mvv in het kader van de nareisprocedure verzocht. Naar de mening van verzoeker is 20 december 2005 aan te merken als de dag waarop voor hem een aanvraag voor een vergunning asiel bepaalde tijd is ingediend. Verweerder werpt verzoeker verder ten onrechte tegen dat hij zich langdurig aan het toezicht onttrokken heeft omdat hij geen gehoor gegeven zou hebben aan uitnodigingen van DT&V voor een vertrekgesprek. De DT&V is echter niet met het toezicht op vreemdelingen belast aangezien de DT&V niet is vermeld in artikel 47 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) of artikel 4.1 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, aldus eiser. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte nagelaten op grond van de inherente afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te beoordelen of verzoeker een verblijfsvergunning had moeten worden verleend op basis van de kinderpardonregeling. Het gezin waartoe verzoeker behoort, beroept zich namelijk eveneens op de kinderpardonregeling.
5.
Ingevolge hoofdstuk B22 van de Vc 2000 (zoals die luidde ten tijde van het nemen van het primaire besluit), paragraaf 3.1 onder b en c, de zogeheten ‘(overgangs)regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
a. die jonger is dan 21 jaar op het moment van de aanvraag;
b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;
c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én
d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende
procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.
6.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
7. Ter beoordeling ligt voor of verweerder verzoekers aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de kinderpardonregeling terecht heeft afgewezen op de grond dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals neergelegd in hoofdstuk B22 van de Vc2000, paragraaf 3.1, onder b en c.
8.
De voorzieningenrechter overweegt dat de staatssecretaris de groep vreemdelingen die op grond van de kinderpardonregeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning blijkens de regeling heeft beperkt tot diegenen die tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend. Uit de tekst van de regeling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat de staatssecretaris de bedoeling heeft gehad deze regeling ruimer te doen interpreteren en daaronder ook de vreemdeling te betrekken, die vóór dat moment een mvv in het kader van nareis heeft aangevraagd. Een dergelijke uitleg ligt ook niet voor de hand. Anders dan bij de asielaanvraag, verblijft een vreemdeling ten tijde van de mvv-aanvraag nog niet in Nederland, zodat dat moment niet doorslaggevend kan zijn bij het berekenen van “langdurig verblijf”. De beroepsgrond treft geen doel.
9.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers stelling dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zich aan het toezicht van DT&V onttrokken heeft omdat de DT&V niet met het toezicht op vreemdelingen zou zijn belast, evenmin. De voorzieningenrechter stelt vast dat de regeling betrekking heeft op het zich onttrekken aan ‘… het toezicht van de IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie …’. Niet in geschil is dat betrokkene in de periode van 15 mei 2012 tot aan het moment van zijn staande houding op 10 december 2012 met geen van deze instanties contact heeft onderhouden en dat er derhalve langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden geen toezicht heeft kunnen plaatsvinden. Verzoeker heeft niet gereageerd op de hem toegestuurde uitnodigingen voor een vertrekgesprek op 24 april 2012 dan wel 2 mei 2012 of 25 mei 2012. Dat uit een adresonderzoek van verweerder in de gemeente [woonplaats] is gebleken dat verzoeker met zijn familie als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken genoteerd stond, heeft verzoeker onvoldoende weerlegd. Verzoekers stelling dat hij zich na zijn verhuizing op 15 mei 2012 binnen [woonplaats] heeft ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie is niet onderbouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoeker mogen tegenwerpen dat hij zich een aaneengesloten periode van langer dan drie maanden aan het toezicht van de bedoelde overheidsinstanties onttrokken heeft.
10.
Verzoeker heeft een beroep gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder, neergelegd in artikel 4:84 van Pro de Awb en daartoe aangevoerd dat verzoekers familieleden zich eveneens beroepen op de kinderpardonregeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze grond niet aangemerkt worden als een onderbouwing van bijzondere, individuele omstandigheden, die voor verweerder aanleiding zouden kunnen zijn verzoeker alsnog een verblijfsvergunning te verlenen.
11.
Uit het voorgaande volgt dat verzoekers bezwaar tegen het primaire besluit geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
12.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Graaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2013.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.