Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2013 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
19 maart 2012 Nederland binnengekomen. Eiser heeft eerder in Nederland verbleven zonder in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning en heeft aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning die zijn afgewezen.
Oost-Europese burger achtergesteld ten opzichte van de eigen onderdaan en kennelijk ook ten opzichte van burgers van de Unie van niet Oost-Europese komaf, omdat uit de beslispraktijk van verweerder naar voren komt dat bij laatstgenoemde onderdanen verweerder een dergelijk vergaand onderzoek naar het doel van het huwelijk niet wordt gedaan en in zoverre ook geen belemmering voor het vrije vestigingsrecht wordt opgeworpen. De door verweerder opgeworpen indicaties kunnen bijna in alle gevallen gelden als aanknopingspunt om een onderzoek te starten. Er zullen concrete aanwijzingen moeten zijn en de bewijslast om op basis van Unierechtelijke normen fraude te constateren zal door de lidstaten moet worden geleverd. De in deze zaak opgesomde indicaties leveren niets meer op dan vage vermoedens en getuigt van vooringenomenheid aan de zijde van verweerder.
15 oktober 2012 hebben afgelegd heeft verweerder terecht geconcludeerd dat sprake is van een schijnhuwelijk tussen eiser en referente, dat wil zeggen een huwelijk dat door eiser is gesloten met als enig doel het in richtlijn 2004/38 neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. Eiser en referente hebben tijdens de hoorzitting op verschillende relevante punten uiteenlopende verklaringen afgelegd over hun eerste kennismaking, de ontwikkeling van hun relatie, hun huwelijksdag, en hun dagelijkse leven.
Beslissing
23 augustus 2013.