De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2004 tot en met 2008, gebaseerd op een buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg (KB Lux). Eiser werd terecht geïdentificeerd als rekeninghouder samen met zijn zoon, ieder voor het geheel. De rechtbank oordeelde dat het bewijs, verkregen via spontane uitwisseling van gegevens door Belgische autoriteiten, rechtmatig was en dat de omkering van de bewijslast terecht werd toegepast omdat eiser geen juiste aangifte had gedaan.
De aanslagen zijn vastgesteld op basis van een redelijke schatting, waarbij een modelmatige berekening van het saldo en een jaarlijkse aangroei van circa 5% zijn gehanteerd. De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser tegen de aanslagen en heffingsrente, en wees het verzoek om schadevergoeding af wegens gebrek aan onderbouwing.
Wel werd het beroep gegrond verklaard voor zover verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase had toegekend. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van een proceskostenvergoeding van €2.121 en vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak vervangt de eerdere uitspraken op bezwaar voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.