ECLI:NL:RBDHA:2013:13505

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 september 2013
Publicatiedatum
11 oktober 2013
Zaaknummer
c-09-439077; C-09-428627; C-09-4356627
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen in netwerkpleeggezinnen

De rechtbank Den Haag heeft op 13 september 2013 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, van 30 september 2013 tot 30 oktober 2013. De minderjarigen verblijven in netwerkpleeggezinnen, respectievelijk bij grootouders en een tante, vanwege ernstige familieproblematiek en ongeschiktheid van de ouders om hen adequaat op te voeden.

Er is een forensisch psychologisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de minderjarigen ernstig beschadigd zijn door de problematiek tussen de ouders en dat terugplaatsing bij een van de ouders op dit moment niet mogelijk is. De deskundige adviseert voortzetting van de plaatsing in de huidige netwerkpleeggezinnen, ondanks de gespannen familieverhoudingen, omdat een plaatsing in een neutraal pleeggezin de hechting zou verstoren.

De moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing en stelt dat zij inmiddels woonruimte heeft en niet meer ziek is, maar ervaart dat terugkeer van de kinderen wordt gefrustreerd. De vader is tevreden met de huidige plaatsing en wil de omgangsregeling uitbreiden. De pleegouders benadrukken de liefdevolle band en hechting met de kinderen.

De rechtbank weegt alle standpunten en concludeert dat de gronden voor uithuisplaatsing aanwezig zijn en dat voortzetting in het belang van de minderjarigen is. De machtiging wordt daarom verlengd en de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in de netwerkpleeggezinnen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: JE RK 13-698; JE RK 12-2800; JE RK 13-187
Zaaknummer: C/09/439077; C/09/428627; C/09/435627
Datum beschikking: 13 september 2013

Machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikkingop de op 4 oktober 2012, 22 januari 2013 en 12 maart 2013 ingekomen verzoekschriften van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord (verder: de Raad) en de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen (verder: Bureau Jeugdzorg),
met betrekking tot de minderjarigen:
1.
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats];
2.
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2009 te[geboorteplaats];
kinderen uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:
[A],
de vader,
wonende te [woonplaats],
en
[B],
de moeder,
wonende te[woonplaats],
die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
Als belanghebbenden in de procedure ten aanzien van de minderjarige sub 1 worden voorts aangemerkt: [C] en [D], de pleegouders, tevens grootouders moederszijde van de minderjarige sub 1.
De minderjarige sub 1 verblijft feitelijk bij bovengenoemde pleegouders/grootouders.
De minderjarige sub 2 verblijft feitelijk in een pleeggezin, te weten de tante moederszijde en haar echtgenoot, [E] en [F].

Procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 30 oktober 2012 de minderjarigen onder toezicht gesteld van 30 oktober 2012 tot 30 oktober 2013.
Voorts heeft de meervoudige kamer in deze rechtbank bij beschikking d.d. 5 juli 2013 aan Bureau Jeugdzorg machtiging verleend voornoemde minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 1 augustus 2013 tot 30 september 2013, en de verzoeken voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking d.d. 5 juli 2013 waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd;
- forensisch psychologisch onderzoek van dr. [X] d.d. 1 augustus 2013;
- gespreksverslag met de heer[Y], voormalig wijkagent d.d. 15 juli 2013;
- de pleitnotities van mr. S. Deliran.
Op 13 september 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
- mevrouw [G], namens de Raad;
- mevrouw [H] en mevrouw [I], namens Bureau Jeugdzorg;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. T. van den Bout;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. S. Deliran;
- de pleegouders van de minderjarige sub 1;
- mr. J.H. Rodenburg, de advocaat van de pleegouders van de minderjarigen;
- dr. [X].

Verzoek

Het verzoek strekt tot machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Beoordeling

Het standpunt van Bureau Jeugdzorg
Bureau Jeugdzorg maakt zich ernstig zorgen over de minderjarigen. Hun belangen worden ondergesneeuwd door de problematiek die speelt tussen de ouders. De minderjarigen zijn door de voorgeschiedenis beschadigd geraakt en het is van belang dat zij behandeling krijgen. Rust is thans van belang zodat Bureau Jeugdzorg met alle belanghebbenden in gesprek kan gaan en tot een weloverwogen oordeel over het perspectief van de minderjarigen kan komen.
Het standpunt van de moeder
Mr. Van den Bout heeft zich namens de moeder verzet tegen voorzetting van de uithuisplaatsing.. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er bij de moeder een periode sprake is geweest van boosheid en verdriet door de relatieproblemen. De grootvader heeft toen gemeend in te moeten grijpen en de minderjarige sub 1 is bij de grootouders gaan wonen. De moeder was het daar niet mee eens. De raadsman heeft voorts naar voren gebracht dat er een periode is geweest met schuldeisers en de moeder het huis gedwongen heeft moeten verlaten. In die periode werd de moeder ook ziek en is de minderjarige sub 2 bij de tante (mz) gaan wonen. Ook hier stond de moeder niet achter. Nu heeft de moeder woonruimte en is zij niet meer ziek. Echter, de minderjarigen zijn nog niet bij haar terug en zij heeft het idee dat de terugkeer van de kinderen door haar familie bewust wordt gefrustreerd. De raadsman voert tot slot aan dat BJZ nooit duidelijk heeft gemaakt aan welke eisen moeder moet voldoen om tot terugplaatsing van de minderjarigen te kunnen overgaan.
De moeder heeft laten weten dat zij wil dat de minderjarigen weer bij haar komen wonen. Zij maakt zich zorgen over de verblijfplaats van de minderjarige sub 2. De pleegouders zouden onvoldoende in staat zijn de zorg de minderjarige sub 2 op zich te nemen, omdat de pleegmoeder zwanger en haar partner ziek is. De moeder heeft tot slot laten weten dat, wanneer de minderjarigen niet bij haar kunnen wonen, zij in een neutraal pleeggezin geplaatst moeten worden.
Standpunt van de vader
Mr. Deliran heeft overeenkomstig de overgelegde pleitnota het woord gevoerd. Zij heeft naar voren gebracht, zakelijk weergeven, dat de vader zich in belang van de minderjarigen ten aanzien van de uithuisplaatsing refereert aan het oordeel van de rechtbank. Hij is tevreden over de plaatsing van de kinderen in de netwerkpleeggezinnen, en vindt een plaatsing in een neutraal pleeggezin niet in het belang van zijn kinderen. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat het contact tussen vader en de pleegouders goed verloopt.. De vader acht het in het belang van de minderjarigen dat de omgangsregeling wordt uitgebreid teneinde zijn band met hen te kunnen versterken.
Tot slot heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de vader het negatieve beeld dat over hem wordt geschetst en enkele onjuistheden in het rapport van dr. Van den Bergh wenst te bestrijden. Anders dan in het rapport wordt gesteld, houdt de vader wel degelijk van zijn kinderen, is hij niet ontheven uit het ouderlijk gezag van zijn oudste dochter en is hij nimmer in het bezit van een vuurwapen geweest.
Het standpunt van de pleegouders
Mr. J.H. Rodenburg heeft aangevoerd dat het in het belang van de minderjarigen is dat de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd. Er is sprake van hechting en een liefdevolle band tussen de minderjarigen en de pleegouders. De raadsman heeft voorts laten weten dat de grootvader de minderjarigen niet bij de moeder heeft weggehaald, het was de moeder die de minderjarigen steeds bij de grootouders bracht.
De boordeling van de rechtbank
De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.
De kinderrechter heeft bij eerdere beschikkingen van 29 januari 2013 en 1 maart 2013 een forensisch psychologisch onderzoek gelast met betrekking tot de plaatsing van de minderjarigen 1 en 2 in de netwerkpleeggezinnen waar zij ook nu nog verblijven gelet op de ernstige zorgen en complexe situatie. Daarbij is de vraag opgeworpen of gelet op de gecompliceerde familieverhoudingen de minderjarigen binnen de familie kunnen blijven wonen.
Uit dit onderzoek, dat op 1 augustus 2013 is afgerond, volgt dat de minderjarigen ernstig beschadigd zijn door de problematiek van hun ouders en dat zij gedrag laten zien dat op de lange termijn tot probleemgedrag kan leiden. Ook volgt uit dit onderzoek dat ouders niet competent zijn om de minderjarigen op te voeden. De deskundige is van oordeel dat de minderjarigen in de pleeggezinnen waar zij verblijven liefdevol worden verzorgd en dat zij veilig gehecht zijn bij de pleegouders. Hoewel het zorgelijk wordt geacht dat de relatie tussen de moeder en beide pleeggezinnen ernstig is verstoord, en dat dit belastend is voor de minderjarigen, acht de deskundige een plaatsing van de minderjarigen in een neutraal pleeggezin niet in het belang van hun ontwikkeling. Plaatsing in een neutraal pleeggezin betekent voor de minderjarigen een onderbreking van hun hechting.
De rechtbank kan zich verenigen met de uitkomsten van dit onderzoek. Vast is komen te staan dat terugplaatsing van de minderjarigen bij één van de ouders nu in elk geval niet tot de mogelijkheden behoort. Uit dit onderzoek volgt voorts dat voortzetting van het verblijf van de minderjarigen in de netwerkpleeggezinnen, ondanks de gesignaleerde en voortdurende problematische familieverhoudingen, in het belang is van de minderjarigen. De rechtbank ziet derhalve geen noodzaak om in deze plaatsing een wijziging aan te brengen.
Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing voor beide minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:
machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 30 september 2013 tot 30 oktober 2013, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluiten d.d. 24 januari 2013 en 7 maart 2013;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en mr. H.M. Boone, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 september 2013, in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Limpt als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.