Eiser, woonachtig in Nederland en werkzaam als Rijnvarende op een binnenvaartschip, was in 2009 in dienst bij een Luxemburgse en later een Cypriotische vennootschap. De kern van het geschil was of hij premies volksverzekeringen in Nederland verschuldigd was over de periode na 24 juli 2009.
De rechtbank stelde vast dat het schip eigendom was van een Nederlandse BV die de vrachtopbrengsten geniet en de kosten draagt, terwijl de Luxemburgse vennootschap niet als exploitant kon worden aangemerkt. Het Verdrag Rijnvarenden is van toepassing op eiser, waardoor Nederland exclusief sociale verzekeringswetgeving kan toepassen.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser op een E-101 verklaring van Cyprus, omdat deze niet relevant is bij toepassing van het Verdrag Rijnvarenden. Ook het bezwaar tegen de intrekking van de Rijnvaartverklaring schort de werking daarvan niet op.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de premieplicht van eiser in Nederland voor de periode 24 juli tot en met 31 december 2009.