Eiser, woonachtig in Nederland en werkzaam op een binnenvaartschip, betwistte de premieheffing volksverzekeringen voor 2007. Hij stelde dat hij onder het Verdrag Rijnvarenden viel en daardoor in Luxemburg verzekerd was, omdat zijn werkgever een Luxemburgse vennootschap was die het schip zou exploiteren.
De rechtbank stelde vast dat de Luxemburgse vennootschap niet als exploitant van het schip kon worden aangemerkt, mede op basis van een uitspraak van het Luxemburgse Tribunal Administratif en informatie van Luxemburgse autoriteiten. De Rijnvaartverklaring van 2004 vermeldde de Nederlandse eigenaar als exploitant, wat leidde tot toepassing van de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving.
Verder wees de rechtbank het beroep af dat Nederland gebonden zou zijn aan de E-101 verklaring, omdat het Verdrag Rijnvarenden voorrang heeft boven de EU-verordening waarop de verklaring is gebaseerd. Ook het standpunt dat de uitspraak op bezwaar niet zorgvuldig was voorbereid, werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en stelde de aanslag naar beneden bij. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van proceskosten aan eiser.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.