ECLI:NL:RBDHA:2013:14327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 oktober 2013
Publicatiedatum
28 oktober 2013
Zaaknummer
AWB 12_36497
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:67 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep herhaalde aanvraag verblijfsdocument wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser, van Egyptische nationaliteit, heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder waren twee aanvragen afgewezen, waarvan één uitspraak onherroepelijk was geworden. De rechtbank stelt vast dat eiser nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) moet aanvoeren om de inhoudelijke beoordeling van het beroep mogelijk te maken.

De rechtbank beoordeelt de door eiser aangevoerde nova: inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie, gezamenlijke bankrekening, foto’s, verhuizing naar zelfstandige woonruimte en nieuwe antwoorden tijdens het laatste gehoor. Geen van deze omstandigheden wordt als nieuw of voldoende overtuigend gezien om de eerdere vaststelling van een schijnhuwelijk te weerleggen.

Omdat geen nova is vastgesteld, komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 12/36497 (beroep)
AWB 12/36498 (voorlopige voorziening)
V-nummer:[V-nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 juli 2013 in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1979, van Egyptische nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser),
gemachtigde: mr. V. Shamdas, advocaat te Amsterdam
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
verweerder,
gemachtigde: mr. Ch. R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 12/36497, verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 12/36498 wijst het verzoek af.

Motivering

De rechtbank stelt vast dat eiser tweemaal eerder een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 heeft ingediend. De afwijzing van de eerste aanvraag van 23 mei 2009 is bij uitspraak van 27 oktober 2010 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in rechte vast komen te staan. De aanvraag van 26 mei 2010 is wegens het niet voldoen van de verschuldigde leges buiten behandeling gelaten.
De rechtbank stelt daarom verder vast dat de huidige aanvraag een herhaalde aanvraag betreft. Dat betekent dat eiser nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) aan zijn aanvraag ten grondslag moet leggen voordat de afwijzing van de aanvraag inhoudelijk door de rechtbank kan worden beoordeeld.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat latere ontwikkelingen per definitie niet kunnen afdoen aan de eerdere vaststelling dat bij het aangaan van het huwelijk het oogmerk slechts was gericht op het verkrijgen van toegang tot Nederland. De rechtbank zal dan ook de door eiser aangevoerde nova bespreken.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het huwelijk van eiser en zijn echtgenote is ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens niet als novum kan worden aangemerkt, nu deze omstandigheid al bestond ten tijde van de vorige procedure en dus niet nieuw is.
De rechtbank is verder van oordeel dat de omstandigheid dat eiser en zijn echtgenote een gezamenlijke bankrekening hebben (aangevraagd) niet als novum kan worden aangemerkt, nu deze omstandigheid weliswaar nieuw is, maar niet is gebleken dat eiser en zijn echtgenote niet eerder een gezamenlijke bankrekening hadden kunnen openen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser overgelegde foto’s niet als novum kunnen worden aangemerkt, nu deze foto’s weliswaar nieuw zijn, maar niet vast te stellen is van welke datum de foto’s dateren. Daardoor is evenmin vast te stellen dat de foto’s nieuw zijn ten opzichte van de vorige procedure.
De rechtbank is verder van oordeel dat de aangevoerde omstandigheid dat eiser en zijn echtgenote zijn verhuisd en thans een zelfstandige woonruimte huren niet als novum kan worden aangemerkt, nu dit niets zegt over de vraag of sprake is van een affectieve relatie tussen eiser en zijn echtgenote. Evenmin worden hiermee de in de vorige procedure geconstateerde tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser en zijn echtgenote weggenomen.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de aangevoerde omstandigheid dat door eiser in het laatste gehoor nieuwe antwoorden en opmerkingen zijn gegeven, niet als novum kan worden aangemerkt, nu deze omstandigheid weliswaar nieuw is, maar ook hiermee de in de vorige procedure geconstateerde tegenstrijdigheden niet worden weggenomen.
Nu geen sprake is van nova, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden. Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding de voorlopige voorziening toe te wijzen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. G. Leenstra mr. H.J. Schaberg
griffier rechter, tevens voorzieningenrechter
afschrift verzonden op:
Conc.: GL
Coll.: MvdV
D: C
VK

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken week na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.