Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2013 in de zaken tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,
de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Delfland, verweerder.
Procesverloop
1 januari 2008, 1 januari 2009 en 1 januari 2010 voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 vastgesteld op respectievelijk € 219.474.000, € 220.662.000 en € 205.446.000. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (gebruik niet-woning) voor de jaren 2009, 2010 en 2011 (hierna: de aanslagen).
Namens verweerder zijn verschenen [E] en [F], bijgestaan door [G], taxateur.
Overwegingen
1e de wettelijke bepalingen op grond waarvan bij bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning (hierna: de uitzondering) juist heeft toegepast;
20 november 2012 afzonderlijk is beslist op - voor zover hier relevant - de bezwaren gericht tegen de WOZ-beschikkingen 2009, 2010 en 2011 en dat zij de uitspraak van 2 augustus 2012 aldus lezen dat daarin beslist is op het bezwaar van het Hoogheemraadschap en [X] gericht tegen de WOZ-beschikkingen 2008. De beroepen gericht tegen deze besluiten zijn op de zitting tegelijkertijd behandeld.
De rechtbank sluit zich aan bij dit eenparig standpunt van partijen (vergelijk Hoge Raad van 13 mei 2011, nr. 10/02400, ECLI:NL:HR:2011: BQ4267).
’s-Gravenhage van 8 april 2008 (ECLI:NL:HSGR:BC9487) en van 6 oktober 2009 (ECLI:NL:HSGR: BL5491) en het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003 (ECLI:NL:HR:AE7337). Dit beroep faalt omdat het geen gelijke gevallen betreft. De posities van het Hoogheemraadschap en eiseres verschillen in diverse opzichten van de posities van het waterschap en de eigenaar/gebruiker van de onroerende zaak in de uitspraken van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 april 2008 en 6 oktober 2009, waarnaar verweerder heeft verwezen: de eigendom van de onroerende zaak ligt immers bij het Hoogheemraadschap en niet bij de gebruiker, er is uitsluitend gebruik gericht op de uitvoering van de publieke taak volgens de instructies van het Hoogheemraadschap en voor de uitvoering van het werk betaalt het Hoogheemraadschap een prijs.
Vastgestelde waarde
14. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
Beslissing
nihil;